Tag Archives: WTO

Nieuwe EU-handelsverdragen schadelijk voor consumenten, milieu en democratie

(7 februari 2018) De geplande vrijhandelsverdragen van de EU met de Mercosur-landen, Vietnam, Mexico, Indonesië en Japan kunnen zeer negatief uitwerken voor de democratie, consumentenrechten, voedselveiligheid en milieubescherming. Dat stellen consumentenorganisatie foodwatch en de Duitse milieuorganisatie PowerShift in hun rapport ¨Trade at any cost?¨. Net als bij TTIP en CETA is er sprake van omstreden geschillenbeslechtingsclausules, comités die de handelsovereenkomsten daarna zonder enige democratische controle kunnen wijzigen, een slecht geborgd voorzorgbeginsel en geheime onderhandelingsmandaten. Lees verder

VoedselAnders: ´Vrijhandel funest voor voedselzekerheid en duurzame voedselproductie´

Aardappeloogst in de Hunza-vallei, Pakistan (foto: Guus Geurts)

(8 december 2017) Op 10 december begint in Buenos Aires de elfde WTO-top en landbouw staat daarin opnieuw centraal. Sinds 1995 hebben afspraken binnen de WTO grote gevolgen voor het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en zorgen ze voor averechts en ineffectief beleid. Voedsel Anders doet een oproep tot een trendbreuk en lanceert de komende maanden een serie van tien mythes over landbouw en voedsel. De stelling is dat vrijhandel een probleem is en geen plossing voor wereldwijde voedselzekerheid. Lees verder

Verslag werkgroep ‘De (on-)macht van de consument’ (Fair&Green deal 21-1, Tilburg)

(17 februari 2010) Verslag werkgroep 9, Fair&Green deal (21 januari 2010, Tilburg) (voor meer informatie over deze conferentie, zie hier).

Titel: De (on-)macht van de consument
Sprekers: Eelco Fortuin (Goede Waar&co, Time to Turn) en
Jeanine Schreurs (Universiteit van Maastricht).
Inleider: Ted van Hees (OxfamNƒovib)
Verslag: Rob Bleijerveld (Supermacht.nl)

Inleiding:

Ted van Hees: Ik zit voor Oxfam-Novib in het platform Duurzame en Faire Economie. Deze workshop gaat over de vraag ‘Wat is de (on)macht van de consument?’, gekoppeld aan wat vanmorgen ter sprake kwam in de inleiding van David Korten en de reacties daarop van anderen, namelijk over de verhouding consument-overheden-bedrijven.

De eerste spreker, Eelco Fortuin, is directeur van Club Fair Index (presentatie: aanstaande week). Hij zal ingaan op de verhouding consumenten (resp. burgers) en het (internationale) bedrijfsleven. De tweede spreker, Jeanine Schreurs, is onderzoekster aan de universiteit van Maastricht. Zij zal ingaan op de ‘economie van het genoeg’, op ‘consuminderen’. Na de inleidingen is er eerst de gelegenheid voor de Vlaamse gasten om aan te vullen vanuit de Belgische context.


Spreker 1:

Eelco Fortuin: Tijdens mijn studie bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam in de jaren ’90 bleek dat de rol van bedrijven in maatschappelijke kwesties onderbelicht is. Dat is pas na 2000 veranderd door de inzet van Rob van Tulder; Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen werd een issue. In mijn vorige werkkring, Fair Food, is in de loop van de jaren geëxperimenteerd met het maken van duurzaamheidslijsten van voedselproducten (‘ranken’). Belangrijke vragen voor ons waren ‘Wat is handig voor de consument?’, ‘Hoe maak je onderscheid?’ en ‘Wat is de impact, hoeveel consumenten gaan ermee aan de slag?’

De kwestie van duurzaam produceren is ingewikkeld en zou moeten worden opgepakt door het publieke domein (overheden en het maatschappelijk middenveld), maar dat gebeurt niet of nauwelijks. Factoren als gebrek aan draagvlak en politieke wil spelen een rol. Draagvlak krijg je vooral door veel ‘praktijk te genereren’. Daarom richt ik me vooral op de rol van consumenten en bedrijven, het private domein dus. Een voorhoede van ‘donkergroene’ consumenten die meer ‘donkergroen’ gaat consumeren kan daarbij een grotere groep van ‘lichtgroene’ consumenten ‘meekrijgen’. Op de langere duur kan dat leiden tot meer draagvlak en van daaruit tot aanpassing van publiek beleid door(inter-)nationale overheden.

Maar ‘Hoe krijgen we de consument aan boord?’: het sleutelwoord hierbij is de term ‘gedragskloof’ (gedrag komt niet overeen met de wil). Zelfs indien consumenten beschikken over voldoende informatie over de verborgen kosten die een rol spelen bij productie en distributie en zelfs als hun houding positief is, dan nog kan er sprake zijn van een gedragskloof.

Diverse studies gaan er echter van uit dat de gedragskloof is te overbruggen met als rode draad het 3C-model: Convenience (gemak) – Collaboration (samenwerking) – Confidence (vertrouwen).
Hoe kan de keuze voor fair en groen worden vergemakkelijkt?|
– door kennis te delen en beschikbaar te maken;
– door samensteling van persoonlijke keurmerken mogelijk te maken;
– door de verborgen kosten door de hele keten heen transparant te maken:
– door de beschikbaarheid van hulpmidddelen als barcode-scanners.

Informatiewebsites en databases.

Het project Club Fair Index, waar mijn team en ik mee bezig zijn, biedt de consument de mogelijkheid om via streepjescode en persoonlijke keurmerk een uitgebreide database aan te spreken met ‘rankings’ van de onderzochte producten en vergelijkbare andere producten. De database bevat allerlei niveaus van informatie, en iedereen kan er zelf via Open Source informatie aan toevoegen (over productieproces-kenmerken zoals wel/niet gebruik van kinderarbeid, en productkenmerken als zoetbeleving). Club Fair Index wil met hulp van consumenten en experts (‘gewogen’ meningen) komen tot een evenwichtig informatieaanbod. Verder kan men deelnemen aan fora-discussies.

Dit systeem kan de consument veel tijd en moeite besparen, het gevoel van machteloosheid ten opzichte van producenten en retailers doen verminderen, en stimuleren tot gezamenlijke actie aan de vraagzijde. Zo kunnen consumenten bijvoorbeeld druk uitoefenen op een buurtsupermarkt om het aanbod te verduurzamen.

Het lijdt geen twijfel dat er zo’n systeem zal komen ondanks dat er nog belangrijke vragen open staan zoals ‘Hoe krijg je dit effectief werkend?’, ‘Hoe voorkom je misbruik?’ en ‘Wat doe je met tegenstrijdige informatie?’. Zo’n systeem biedt consumenten dan de mogelijkheid om gezamenlijk aan de vraagkant eisen te stellen aan bijvoorbeeld een supermarkt in de buurt.

Voldoen aan de 3 C’s betekent niet dat 100% van de consumenten, op 100% van de aankoopmomenten en bij 100% van de producten kiezen voor duurzaam. Maar een kleine groep kan een grotere groep beïnvloeden of vertegenwoordigen. Volgens de Wet van de Marginale Consument kan een zeer kleine verschuiving in marktaandeel tot grote druk leiden bij productmanagers om te verduurzamen (en tot draagvlak bij de politiek om actief te sturen). Verder zijn er allerlei ‘kielzog-effecten’ die een rol spelen. Uiteindelijk zal dit kunnen leiden tot een collaboratieve, meritokratische (= demokratisch, op expertgewicht gebaseerde) definitie van ‘duurzaam’, hetgeen beleidsvorming door de overheid kan vergemakkelijken.


Publieksreacties en -vragen aan EF:

1. Waar sluit dit project aan bij ‘co-creatie’ (het betrekken door producenten van consumenten bij de ontwikkeling van bestaande en nieuwe producten)?
EF: Er zijn inderdaad een aantal overeenkomsten.

2. Bepaalde criteria die voornamelijk op duurzaamheid duiden (zoals de  CO2- uitstoot) kunnen beter worden ontwikkeld op basis van meningen van neutrale experts, maar zeker niet door publieke co-creatie.
EF: Dit wordt opgevangen door het gebruik van de zogenaamde meritokratische (gewogen) besluitvorming en allerlei beproefde methodes om misbruik tegen te gaan. Er zijn verschillende systemen om te komen tot meritokratische (gewogen) besluitvorming. Binnen expertgroepen geven experts elkaar een status (‘rating’) gebaseerd op de score van een product (waar dan ook in de keten), en/of op de relatie van de expert en het product in kwestie (wordt hij, zij betaald door de onderneming in kwestie?).

3. Het gaat hier om de macht van de consument, maar onduidelijk blijft hoe die consument beïnvloed wordt om voor duurzaamheid te kiezen. Deze methode laat zien hoe duurzaam iets is, maar macht van consumenten ontstaat pas zodra meer mensen voor duurzaam gaan kiezen.
EF: De consument stelt een persoonlijk keurmerk samen op basis van standpunten die door van organisaties als Greenpeace wordt aangeleverd en het vertrouwen dat de consument daarin heeft. De scanner laat vervolgens heel gemakkelijk en snel zien of het product al dan niet voldoet aan de eigen criteria. De macht van de consument zit voor een deel in het beter informeren van consumenten door marketing, maar daar gaat hier niet zo zeer om. De inzet is om de groep van 35% ‘lichtgroene’ consumenten (zie onderzoek van Motivaction.com) beter in staat te stellen te kiezen voor duurzaam en zich te gezamenlijk te organiseren (en niet om die andere 65% over te halen mee te doen).

4. Wat is daarbij het verschil tussen intern geformuleerde A-label (voorbeeld: een sector die zich zelf een label toekent op basis van een kwaliteit of productkenmerk) en extern geauditeerde B-labels (idem, maar dan door buitenstaanders vastgesteld)?
TH: Dit vind ik te specialistisch voor dit publiek.

5. Dit systeem is niet ‘gemakkelijk’ voor mij, want ik heb een minde dan modaal inkomen en 4 kinderen. Zo’n scanner is mij te duur en heb ik geen tijd om uitgebreid te gaan scannen tijdens het winkelen of om de avond ervoor een paar uur mijn aankopen voor te bereiden op het internet.
(beantwoording verderop)

6. Je hebt het hier over een systeem van ‘crowd sourcing’ (aanmaak van kennisdatabank door een gebruikersgroep), maar wat zijn de noodzakelijke randvoorwaarden (aanvaardingsmogelijkheden, kennispotentieel en ontwikkelingsmodi van elk individu) waar je vanuit gaat? Dit project lijkt bedoeld voor een high end, niche publiek met heel veelintellectuele capaciteiten, maar niet voor de meerderheid van consumenten. In je verhaal ga je uit van kennis als hefboom voor gedragsverandering (kennis – sensibilisatie – houding – gedragsaanpassing). Maar het gros van de mensen bereik je alleen via de onderbuik, daarna de gedragservaring en dan volgt pas kennisopbouw. Óf je kiest voor het aanspreken van de beperkte groep van ‘donkergroene’ consumenten die door de scherpte van hun consumptiegedrag verschil kunnen uitmaken in de sociaal, economisch en ecologische effectiviteit ervan. Óf je probeert het gros van consumenten te mainstreamen enalle kleine inspanningen in diens gedrag massaal te verspreiden opdat er effect ontstaat op milieu-, sociaal en economisch gebied.
TvH: De beantwoording hiervan komt na het verhaal van Jeanine Schreurs…


Spreker 2:

Jeanine Schreurs:
Ik doe promotieonderzoek aan de Universiteit van Maastricht naar de gevolgen van ‘down shiften’ (‘leven met minder geld’) en hoop in maart te promoveren [Voor dit promotieonderzoek, zie hier
].

In de VS is de ‘down shifting’-beweging verder ontwikkeld dan hier. Het is daar een aantal jaar geleden begonnen met mensen die vrijwillig minder gingen consumeren (en anders leven) door zich minder afhankelijk op te stellen tav. de manipulaties van de consumptiemaatschappij. Dat thema is daar opgepakt door tal van universitaire onderzoekers. Ik deed onderzoek in Nederland. Een belangrijke inspiratiebron voor mij was het tijdschrift ‘Genoeg’ (www.genoeg.nl).
Mijn onderzoek gaat enerzijds over
de gevolgen (gedrag, consumptie, identiteit, sociale relaties, etc) voor consumenten die al dan niet gedwongen leven van minder geld, anderzijds naar de positieve effecten daarvan (is dus geen beschouwing van armoede of deprivatie). Dat onderzoek naar de positieve effecten is nieuw, want steeds is uitgegaan van ‘meer is beter’ en ‘minder is problematisch’. De uitkomsten zijn verrassend en het heeft zelfs geleid tot aandacht in Nederlandse kranten.

Uit de Green Index (VS – www.thegreenindex.com) blijkt dat steeds meer mensen zorg hebben voor het milieu. Het gaat zowel om een mentaliteitsverandering als om concrete vormen van milieubewust(er) leven (minder vlees, meer OV, minder energie, etc). Onderzoek – ook empirisch – toont aan dat mensen geen hedonistische, egoïstische gebruikers zijn. Harde cijfers tonen ook aan dat ‘down shifting’ een snel groeiende trend is in de geïndustrialiseerde wereld. Onderzoeken (zoals dat van mij) geven aan dat ongeveer 25% van de burgers met minder geld (en goederen) gaat leven en dan in belangrijke mate vrijwillig (de meesten van hen hebben ook te maken met minder inkomsten).

Tot zover mijn inleiding. Nu een reactie op het verhaal van de eerste spreker.

 

Enkele kritische kanttekeningen bij het Club Fair Index initiatief:
– de vooronderstelling dat informatie leidt tot gedragsverandering klopt niet (en ik sluit aan bij de kritiek uit het publiek). Als het gaat omgedragsverandering moeten we letten op het hele systeem rondom consumptie en interveniëren in de vraagzijde, de regelgeving, de consumptieve infrastructuur et cetera;
– er wordt te gemakkelijk vanuit gegaan dat we er zijn met duurzame consumptie. Het is belangrijk dat er meer groene en eerlijke producten komen, maar daarmee redden we niet het milieu en lossen we niet de problemen op die samenhangen met onze wijze van produceren en consumeren.
– zo’n scannerproject is niet het juiste middel om mensen te informeren of te overtuigen. Als illustratie: in Blokkerwinkels blijkt er nauwelijks aandacht te zijn voor het aanwezige Closed Circuit tv-systeem voor productpromotie. Verder heeft het winkelend publiek en zeker de jonge ‘high achievers’ veel te weinig tijd om zich te verdiepen in de aangeboden informatie.
– wie garandeert dat de informatie van de bron (het web, de database) betrouwbaar is?

Ik voeg ook een positieve noot toe:
– Het kan wel een belangrijk instrument zijn om de macht van consumenten te mobiliseren. De website kan het ontmoetingspunt voor groepen consumenten die door de macht van het getal een vuist willen maken richting overheid of producenten om het systeem te veranderen.
– Het kan een hefboom zijn om met de vraag van consumenten naar meer duurzame producten veranderingen in productiesystemen (groener, eerlijker) af te dwingen bij producenten.


Zaaldiscussie

TvH:
ik open hierbij de zaaldiscussie en hoop dat we aan het eind tot een gemeenschappelijke slotconclusie kunnen komen om straks bij het plenair te presenteren.

De centrale vraag uit het voorgaande is of informatie en kennis via zo’n scanner-project (of iets soortgelijks) kan leiden tot ander koopgedrag (en waarom wel of niet?).

A/ De organisatie Stoere Vrouwen (www.stoerevrouwen.nl) is ook bezig met bouwen van een zoekmachine voor producten.

B/
Het Innovatienetwerk (
www.innovatienetwerk.org) waar ik bij betrokken ben, koos een andere benadering om de vrijblijvendheid van consumenten te doorbreken zodat er daadwerkelijk veranderingen in koopgedrag ontstaan. De overheid kan in dit systeem OZW-belasting verhogen voor consumenten die onduurzame producten kopen. Een sanctiesysteem dat de consument in feite ‘eigenaar’ maakt van de voedselketen en in gaat tegen het ‘free rider-effect’ (waarbij 10% van de bevolking goede initiatieven van de andere 90% om zeep kan helpen). De consument bepaalt hoe er geproduceerd wordt, maar betaalt ook de rekening daarvoor. Nu is het de producent die bepaalt (marktgericht). Zie ondermeer ‘Dichterbij, over regionalisering van voedselketens en een grotere rol voor de consument’ (dec 2009). Het innovatienetwerk wordt gefinancierd door het ministerie van LNV en een aantal bedrijven.

Vraag uit publiek: hoe reëel is dit, want de Europese wetgeving en de WTO-regels staan geen discriminatie door overheden toe van productiemethoden?
Antwoord: Onze opdracht (van de overheid) is juist om vernieuwingen te bedenken die systeemdoorbrekend zijn en strijdig met bestaand beleid. De bestaande problemen zijn hardnekkig omdat ze door het systeem in stand worden gehouden….

EF:
Ongeveer 5 jaar geleden nam ik deel aan een lobby van 14 organisaties voor een importverbod of extra importheffingen op producten waarbij gebruik is gemaakt van de ergste vormen van kinderarbeid. Maar dat wilde de Nederlandse regering niet. In plaats van te proberen via een proefproces bij de WTO-geschillenbeslechting nieuwe jurisprudentie te bewerkstelligen, houdt ze zich strikt aan een nauwe uitleg van de WTO-regels en weigert om daar de discussie over marktverstoring aan te gaan. Steeds weer organiseert de Nederlandse overheid arena’s waar gepraat wordt over vernieuwing zonder er echt voor te gaan….

C/
Belonen van de consument helpt beter dan afstraffen. Zo is er een petitie om van de overheid te vragen de BTW op duurzame en
biologische producten te verlagen (bio btwvrij petities).
Dit kan de vraag naar die producten stimuleren en zo de belastingderving door de overheid weer deels teniet doen.

D/
Bij het KEMA-keur (consuwijzer kema-keur) is er wel degelijk sprake van een succesvolle beïnvloeding van koopgedrag door middel van informatie. Betrouwbaarheid van die kennis is echter doorslaggevend.

E/
Waarom worden niet gewoon (in kranten) rijtjes van producten gepubliceerd waar wat mee aan de hand is en daarbij wordt opgeroepen die producten niet te kopen?

F/
[zie ook reactie 6] (Ik ben niet tegen het instrument van Club Fair, maar:) Informatie leidt bij het gros van de bevolking niet tot gedragsverandering, en niet tot doordachte aankoopkeuzes. Ook bij de meest groene producten moet je uitgaan van een boodschap die de consument brengt tot de vraag ‘Wat heb ìk er aan?’. Dit wordt door (ook de groene) marketeers ingevuld vanuit de levensthema’s van mensen. Het moet op een emotioneel niveau de wens van geluk, gezondheid, welzijn, sociale status en zo aanspreken, los van de objectieve behoeftenbevrediger of ‘gedetecteerde’ behoefte. Dus de ‘Wat heb ìk
er aan’-vraag wordt ook ’emotioneel’ geformuleerd.

TvH:
Dit is inderdaad de kernvraag waar het nu om gaat: hoe krijgen we de doorbraak naar het grote publiek buiten keurmerken als Max Havelaar om die de (bewuste) consument over te halen tot het aankoop van fair en groen?

 

G/
Ik vind keurmerken en scanners goed voor het mobiliseren van de donkergroene consumentengroep als machtsblok, en daarnaast zijn sancties (belastingverhogingen) nodig voor degenen die zich niet aan de (faire, groene) regels houden.

 

H/ JS:
Een ander beproefd middel is de consumentenactie om de steeds meer grootschalig opererende bedrijven via imago-schade onder druk te zetten. Dat kan al met negatieve publiciteit op websites en een kleine groep mensen die posten bij grote winkels in Europa. Met slim actievoeren kun je zelfs gesprekken afdwingen met managers van bedrijven. En het appelleert aan de mainstream consument, want die wil geen T-shirt dat met kinderarbeid is geproduceerd.

I/
Als aanvulling op dat laatste: je moet ook de politiek aanpakken, zoals de Europese Commissie. Die laat zich namelijk belobbyen door die grote bedrijven. Recent bleek bijvoorbeeld dat tabaksgigant BAT in staat was de voorstellen voor Europese wetgeving op gebied van milieu, gezondheid en consumptie sterk af te laten zwakken (zie: ‘Tobacco company helped shape European policy system favoring corporate profits over public health’- www.physorg.com).

J/
Waarom slaan keurmerken als Max Havelaar beter aan in Duitsland en Zwitserland dan hier. Welke mogelijkheden en belemmeringen spelen daar een rol waarvan we in NL en B kunnen leren?
Reactie hierop uit het publiek: Daar is onderzoek naar gedaan. Lees ondermeer het boek ‘Terra Reversa’ en andere publicaties van P.T. Jones na over het 4-E model (Enable – Encourage – Engage – Exemplify).
Dat is een vervanging voor het 3C-model van Kennis – Houding – Gedrag. Het is een geïntegreerde benadering over consumenten, burgers, organisaties, overheden en bedrijven. Met op elk niveau een structurele en individuele component. In het 4E-model komt tot uiting hoe de eventueel aanwezige gedragsverandering kan worden omgezet in daadwerkelijke aankoop en beleidsaanpassing. Er is een groot verschil tussen consumentengedrag (het kopen van goederen en diensten) en burgergedrag (met betrekking tot consumptie).

K/
Dat scannen kan wel de nieuwsgierigheid naar het verhaal achter producten helpen bevredigen, omdat consumenten vaak door producenten om de tuin worden geleid waar het informatie betreft.


Slotopmerkingen:

TvH:
Nu is het tijd voor enkele slotopmerkingen door de sprekers:

JS:
Het initiatief van Club Fair Index is waardevol en voegt iets toe (database). Hopelijk is het een aanjager voor een daadwerkelijke verbetering.

EF:
Bedankt. Er zijn vanmiddag veel dingen gezegd die ik zal meenemen.

Ik zou net als – denk ik – iedereen willen dat er veranderingen tot stand komen via het publieke domein, eventueel door een eenvoudige financiële of emotionele prikkel via de kassabon. Ikzelf zie het echter als uitdaging om het te organiseren zonder de overheid (mijn ‘Plan B’). Club Fair Index is een van de mogelijkheden hiervoor en het kan dat wat hier vanmiddag is gezegd integreren. Het kan consumenten een fijn gevoel geven als het ze lukt een groen product te verkrijgen voor dezelfde lage prijs als dat van een onduurzaam product, als ze de winkel om de hoek zo ver kunnen krijgen om het aanbod te verduurzamen. of als ze zich succesvol weten te verenigen in lokale netwerken die gezamenlijk duurzaam aankopen doen.

Een anekdote: In mijn vorige werkkring, bij Fair Food, hebben we via ranking en acties onder andere bereikt dat Verkade stopte met gebruik van kinderarbeid bij de productie van hun koekjes. Ze gingen zelfs helemaal over op Max Havelaar (zie ‘Verkade switches to Fairtrade chocolate
[De nieuwsbrief van juli 2008 van Fair Food waaraan hij refereerde is niet meer te vinden op het net].
Later hoorde ik van de betrokken manager van het bedrijf dat hij de ranking van Fair Food intern kon aangrijpen om de lage positie van Verkade te problematiseren. Lage rankings blijken ook demotiverend voor een deel van de medewerkers en aandeelhouders en daarvan kun je gebruik maken…

TvH:
De ‘Groene Sint’-aktie (
www.groenesint.nl) van Oxfam-Novib in samenwerking met o.a. de Stoere Vrouwen, heeft er – met veel geld voor marketing, tv-spotjes, krantenadvertenties – toe geleid dat een groot aantal bedrijven in de chocolade-branche (waaronder Albert Heijn) zijn ‘omgegaan’ door de steeds meer toenemende publieke druk op die bedrijven.

Verder vieren we morgen (22 januari) het een-jarig bestaan van de ‘Eerlijke
Bankwijzer’ (
www.eerlijkebankwijzer.nl), ook een succesvol initiatief. De ruim 100.000 mensen die de site bezochten, hebben het gedrag van banken al in hoge mate kunnen verbeteren. Er wordt door die banken niet meer geïnvesteerd in bepaalde bewapening (als clustermunitie, persoonsmijnen, nucleaire wapens). Consumentenactie en het zoeken van goede manieren van
publiciteit kan dus heel wat opleveren qua verandering van het gedrag van mensen.


Afsluiting:

We moeten nu gaan afsluiten. Ik doe ik hierbij een voorstel voor de slotstelling voor het panel van straks. Ben je het er niet mee eens of wil je andere formulering, laat dat dan nu weten….

De
inzet van relatief kleine groepen consumenten – ook als ze zich lokaal en/of via internet organiseren – kan leiden tot grote verbeteringen in de/ productieketen“

Iemand uit het publiek: Ieder systeem heeft zijn gevoeligheden; als je bijvoorbeeld de gevoeligheden kent van de CEO (die omzet moet maken), dan kun je ook dingen veranderen.


 

8. Herdefiniëring van ‘€œveilig’€: manipulatie met gezondheids- en veiligheidseisen

(Vertaling en bewerking: Anneke Fongers  – maart 2007)

Een manier om kleine voedselproducenten systematisch aan de kant te schuiven, was door extreme hygiënische eisen te stellen, waarvoor dure machines of kostbare bewerkingen nodig waren.

Deze hygiëneregels werden opgesteld door de WTO in 1995 en werden ontworpen om er zeker van te zijn dat voedsel wordt geproduceerd conform de Hazard Analysis and Critical Control Limit (HACCP). Deze HACCP is oorspronkelijk ontworpen door Pillsbury, het multinationale voedselbedrijf, dat Haagen Daz en Burger King op de markt brengt.

Dit gebeurde op verzoek van de NASA, die de zuiverheid van het voedsel van hun astronauten wilde veiligstellen. Het wordt ook als standaard gebruikt door de Codex Alimentarius, het VN-onderdeel voor voedselstandaards dat sterk beïnvloedt wordt door grote ondernemingen.

Dertig jaar geleden waren er slachthuizen in bijna alle provinciesteden en zelfs in sommige dorpen. Sinds GB zich in 1973 heeft aangesloten bij de EU, is echter meer dan 70% van de roodvlees-abattoirs gesloten. Oorzaak is de overenthousiaste Britse interpretatie van de EU-regels. Het resultaat is stijging van de kosten voor de boeren en verhoogde stress bij dieren, die naar een van de weinig overgeblevene abattoirs moeten worden vervoerd.

Gezondheids- en veiligheidsregels bestempelen boerenkaas, gemaakt en verkocht op de boerderij als “riskant voor de gezondheid”, en twee weken oude yoghurt in de koeling van de supermarkt als “veilig”. In GB wordt minder dan 1% van de voedselvergiftigingen door zuivelproducten veroorzaakt, toch worden hiervoor uiterst stringente regels gehanteerd.

De EU beveelt voor het bewaren van kaas temperaturen aan, die de gezondheid van mensen niet aantasten. Terwijl Schotland zich aan deze formulering houdt, wordt dit in Engeland geïnterpreteerd als “bewaren onder de 8 graden Celsius”. Hiertoe moeten dure koelkasten worden geïnstalleerd. Dergelijke wetten hebben kleine ambachtelijke kaasmakers geruïneerd.

Het blijkt dat de recente toename van voedselvergiftigingen en ziekten onder dieren het gevolg zijn van het industrieel verbouwen en verwerken van landbouwproducten en niet van de handelwijze van kleine boeren.

Men zou in het bijzonder aandacht moeten schenken aan de risico’s besmet te raken met de menselijke variant van de Ziekte van Creutzfeldt-Jakob door Mechanically Recovered Meat (MRM). Dat is de vleessmurrie, die onstaat als het vlees met een hogedrukspuit van de botten wordt losgespoten. Deze smurrie wordt verwerkt in goedkope hamburgers.

Andere, niet op de labels vermelde bijproducten bij het slachten van Britse koeien, zijn gelatineomhulsels voor vitaminepillen en runderserum voor het polio-vaccin en andere gangbare vaccins. Gelatine en serum werden nog tot 1993 – het hoogtepunt van de BSE crisis – verwerkt.

3. Stimuleren van geïndustrialiseerde landbouw en wereldwijd vernietigen van kleine boerenbedrijven

(Vertaling en bewerking 4 februari 2007: Anneke Fongers)

Sinds december zijn onze prijzen tot 10 pence per pond gezakt, in een tijd waarin ze normaal gesproken stijgen. Het kan zelfs zover komen dat de industrie duizenden tonnen appels moet dumpen, terwijl het de beste appeloogst in GB sinds jaren was. De hoofdreden voor dit probleem is dat er voor ons te weinig ruimte op de schappen is gereserveerd. Goedkope import van overzee heeft de situatie er niet beter op gemaakt.
Als de grote supermarkten doorgaan de prijzen kunstmatig omlaag te drukken, zal er over tien jaar in GB geen goede fruitindustrie meer bestaan en kunnen onze boomgaarden worden omgespit,” Aldus Martin Harrell, appelteler uit Gloucestershire.“Amper bijgekomen van de mond- en klauwzeer, merk ik dat de prijs van verse melk drastisch gekelderd is tot onder mijn kostprijs. Mijn klanten worden naar de supermarkt gelokt, waar verse melk voor onaanvaardbaar lage prijzen wordt verkocht. En ik word geacht een verliesgevend bedrijf te runnen. Ik heb er alles aan gedaan efficiënter te werken en voldoe aan de hoge eisen die de welvaartsstaat en het boerenbedrijf stellen. Maar, tenzij de supermarkten me een eerlijke prijs geven, moet ik mijn bedrijf sluiten. Er moet hoognodig invulling worden gegeven aan het begrip fairtrading.” Aldus Gareth Watkins, melkveehouder.Uit: “Supermarket power threatens farmers” (Friends of the Earth, 26/1/02)

Om de klanten de grote verscheidenheid aan goedkoop voedsel te bieden die hen was beloofd, maken de supermarkten meedogenloos gebruik van hun monopoliepositie als grootste inkoper van voedsel. Zij kunnen vaststellen hoe, waar, wanneer en voor hoeveel hun voedsel wordt geproduceerd, verpakt, opgeslagen en geleverd. Dit wordt gecontroleerd in een verfijnd systeem van gedetailleerde beschrijvingen onder streng bestuurstoezicht. Daarbij heeft men liever rechtstreekse contracten met geselecteerde boeren (dan het inkopen op de traditionele concurrentiemarkten) en het gebruik van favoriete abbatoirs, verwerkings- en verpakkingsbedrijven.

Producenten zijn slechts lopende bandwerkers die door technici bedachte standaardproducten maken. Supermarkten laten onderzoekers precies uitrekenen wat wereldwijd de gemiddelde productiekosten zijn van een bepaald gewas, voeren misleidende acties bij veilingen via Internet, ze kopen alleen als de prijs tot het laagste niveau is gezakt. Boeren weten niet op welke prijs andere producenten inschrijven en dat dwingt hen hun product voor een lage prijs aan te bieden om zeker te weten dat er verkocht is. Vooral kwetsbaar zijn de producenten van bederfelijke waar. Alleen transnationale ondernemingen die voedsel verhandelen of verwerken en bedrijven met een succesvol eigen merk hebben enige invloed op de grote leveranciers.

Het “Competition Commission Report on Supermarkets” (2000) maakte melding van 30 gevallen van vermeende uitbuiting van leveranciers door supermarkten. Het betreft ondermeer het niet op tijd betalen, het op het laatste moment veranderen van specificaties (betreffende kwaliteit, kwantiteit en verpakking), en het verantwoordelijk stellen van leveranciers voor fouten van de supermarkten. De reden hiervoor is de weigering van supermarkten bindende contracten aan te gaan met de leveranciers, waardoor deze weerloos zijn tegen de uitbuiting door supermarkten.

Alle supermarkten gaven aan de Commissie toe, dat zij leveranciers hebben laten betalen voor een meer geschikte plaats van hun producten in de schappen en ook voor het voortzetten van de handelsrelatie. Deze kosten zijn soms met terugwerkende kracht in rekening gebracht. Zij gaven toe betalingen te hebben afgedwongen en zonder berichtgeving veranderingen in overeenkomsten te hebben aangebracht. Ook bekenden ze het onredelijkerwijs doorsluizen van risico’s naar de leveranciers [1].

Boeren worden gedwongen een groot bedrag te investeren om aan de behoeften van de supermarkten tegemoet te komen. Maar de supermarkten kunnen hen evengoed ineens laten vallen, daarmee hun hele bedrijf en de bedrijven van plattelandsgemeenten die ervan afhankelijk zijn, van de kaart vegend. Het is overal ter wereld hetzelfde verhaal, omdat boeren gedwongen worden met elkaar te concurreren om een kwalitatief beter product te leveren, efficiënter te produceren en voor een prijs die de supermarkt vraagt.

De hele oogst van een boer die bloemkolen verbouwde werd afgekeurd dankzij buitengewone kwaliteitsnormen. Vooraf vroeg hij de betreffende supermarkt of hij een pesticide tegen rupsen mocht gebruiken, wat hem werd geweigerd. Hij heeft toen met succes biologische ongediertebestrijding toegepast door de Encarsia wesp. Dit bracht geen schade toe aan de bloemkolen; er bleef echter af en toe een dode wesp achter, die door de klant gemakkelijk weg gewassen kon worden. Toch weigerde de betreffende supermarkt de bloemkolen [2].

Het verslag van de Commissie staat vol verklaringen van boeren en andere leveranciers over de behandeling door supermarkten. Je zult je afvragen waarom je niet eerder hebt gehoord van deze schokkende uitbuiting: de meesten zijn bang hun mond open te doen, want ze lopen het risico door de supermarkt- inkopers op de zwarte lijst geplaatst te worden. Deze inkopers worden regelmatig op een andere groep producten gezet, om te voorkomen dat er een persoonlijke band ontstaat tussen hen en de boeren.

Een van de meest schokkende vormen van uitbuiting is dat boeren vaak onder de kostprijs voor hun producten betaald worden. De zuivelindustrie in GB heeft bijvoorbeeld flinke klappen gehad van supermarkten, die de overproductie van melk in hun eigen voordeel aanwendden. De productie van 1 liter melk kost een kleine melkveehouder 18 tot 22 pence. Tot het verdwijnen van de “Milk Marketing Board” in 1994, kregen ze 24 pence per liter. Tegenwoordig krijgen ze er 19 pence voor, terwijl in de supermarkt een liter voor 72 pence wordt verkocht [3]. In sommige sectoren (landbouwgrond, schapen en koeien) wordt het verschil via subsidies door de belastingbetaler aangevuld.

In sommige sectoren (akkerbouw, schapenteelt en veeteelt) wordt het verschil bijgepast door de belastingbetaler via subsidies. Terwijl boeren in de media vaak verweten wordt subsidie-junks te zijn, is de werkelijkheid dat de prijzen op de boerderij soms zo laag zijn, dat de boeren zelfs met subsidie hun onkosten niet kunnen dekken. De supermarkten en grote verwerkingsbedrijven vergroten hun aandeel van de winstmarge door de hele productieketen te chanteren. De boeren aan het eind van de keten verkeren in de zwakste positie. Landbouwsubsidies verdwijnen in wezen rechtstreeks in de zakken van de supermarkten.

Dit zijn duidelijke voorbeelden van hoe supermarkten misbruik maken van hun monopoliepositie. Boeren en zelfs de grotere voedselfabrikanten en verwerkingsbedrijven zijn afhankelijk van een paar detailhandelaren, en dus gevoelig voor uitbuiting. De “Competition Commission” verklaarde dat dientengevolge leveranciers niet in staat waren tot innovatie en het ontwikkelen van nieuwe markten. Bovendien leefden ze voortdurend in angst aan de kant gezet te worden. Zie ook hoofdstuk “Een heel land afzetten”.

Geconfronteerd met deze schaamteloze uitbuiting schuiven zij de schuld af.
Of: “Het is door de vrije markt en we kunnen goedkoper melk importeren uit Oost-Europa of Nieuw-Zeeland” [4];
Of: “We zouden u graag goed willen betalen, maar de Wereldhandelsorganisatie WTO verbiedt het maken van prijsafspraken (dat wil zeggen een eerlijke prijs betalen)” [4];
Of: “Niet wij, maar de tussenpersonen romen de winsten af”;
Of: “De kwaliteit van de Britse melk is onvoldoende” [5].

De werkelijkheid is dat ons wereldwijd economisch systeem wel fout mag zijn, maar het zijn de supermarkten die door het lobbyen in regeringen en de WTO het systeem naar hun hand hebben gezet, met totale geringschatting voor de kleine man en vrouw.

Wat betreft het afschuiven van de schuld op tussenpersonen: er zijn zeven grote verwerkingsbedrijven in de zuivelindustrie die – zelf weliswaar niet onschuldig – ook gedupeerd zijn door de prijsdaling van melk in de supermarkten.

Boeren bevinden zich in een extreem zwakke onderhandelingspositie. Van oudsher stonden zij sterk in seizoenshandel, maar door de import en de glastuinbouw is dat voordeel verdwenen. Nu worden boeren uitgemolken door een klein aantal inkopers en grote toeleveranciers, en worden ze benadeeld door de wereldwijde overproductie.

Om in hun onderhoud te kunnen voorzien gebruiken boeren intensievere methodes om meer te produceren voor de verkoop en hebben ze hun spaargeld belegd. Dat is een begrijpelijke oplossing voor individuen, maar voor de groep als geheel leidt het uiteindelijk tot overproductie en verdere prijsdaling.

Boeren op het Europese vasteland hebben coöperaties opgericht, zo hebben ze meer te bieden en kunnen ze een betere prijs bedingen. Het is ironisch dat de “Competition Commission” de grote coöperatie van Britse melkveehouders, de Milk Marque, in 1999 heeft opgeheven, en daarmee de supermarkten toe stond hun monopoliepositie te versterken.

Op de boerderijSinds 1939 zijn het aantal boerderijen en het aantal in de landbouw werkzame personen drastisch gedaald en de verwachting is dat die lijn zich zal doorzetten [6][7]. Het inkomen van met name de kleine boeren blijven beneden het minimuminkomen [8].
Hoewel
de de voedselsector door gaat met zijn wereldwijde groei – de huidge jaaromzet is anderhalf biljoen dollar – krijgen boeren daarvan slechts een zeer klein deel. Vijftig jaar geleden kregen boeren in Europa en Noordamerika 45 tot 60% van het geld dat consumenten uitgaven aan voedsel. Nu is dat afgenomen tot 7% in GB, 3,5% in de VS en 18% in Frankrijk [9].
Het huidige patroon van consolidatie van supermarkten maakt het er niet beter op.

Om winst te maken gaan supermarkten en verwerkingsbedrijven bij voorkeur uit van zeer grote hoeveelheden gestandaardiseerde producten. Voor het verkrijgen van een perfect gave wortel van zo’n 20 cm lengte zijn bestrijdingsmiddelen, kunstmest en bio-industrie onmisbaar. Tot 40% van een perfect product kan afgekeurd worden, omdat de Britse klanten schijnbaar cosmetische perfectie eisen. Ongetwijfeld gaat een en ander ten koste van de smaak. Het is geen wonder de meeste voedselproducenten de logische keus maken voor gelijkvormig voedsel: genetische manipulatie.

De intensieve landbouw in GB heeft nog niet de omvang van die in de USA, waar controle door grote ondernemingen in de landbouw het hevigst wordt gevoeld in de voedselverwerkende en fabricage sectoren [10]. Daar is 28 miljoen hectare (70 miljoen acres) bebouwd met genetisch gemodificeerde soja, maïs, raapzaad en katoen. Met de immense druk van de supermarkten op de voedselketen ligt het voor de hand dat we hier hetzelfde beeld van ontwikkeling, verwerking en landbouw zullen zien.

Het meeste vlees wordt geproduceerd in enorme vetmesterijen, gevestigd in staten met soepele regelgeving, vaak in arme gemeenten, waar de mensen naar verwachting niet zullen protesteren tegen de stank van uitwerpselen en de vervuiling. De dieren – zo dicht mogelijk opeengepakt – worden volgestouwd met eiwitrijk voedsel (zoals botmeel) en ingespoten met hormonen en antibiotica alvorens te worden vervoerd naar enorme slachterijen waar snelheid en kwantiteit meer tellen dan hygiëne.

Wilt u er wat gemalen ruggengraat
bij, meneer? [11]

  • Zo’n 750 miljoen batterijkippen worden elk jaar in GB geproduceerd voor de consumptie. Intensief gefokte kippen groeien zo snel, dat ze hun eigen gewicht niet kunnen dragen. Volgens het Agriculture and Food Research Council heeft de
    helft van de kippen op de leeftijd van zes weken ernstige
    botafwijkingen.

  • Een hamburger kan vlees bevatten van tientallen of zelfs honderden verschillende dieren. Tot augustus 1997 kreeg 75% van het vee in de USA resten vlees van schapen en ander vee en soms zelfs van katten en honden (gekocht in dierenasiels) te eten. Zelfs met de nieuwe regelgeving is het in de USA toegestaan varkens-, paarden- en pluimveevlees aan het veevoer toe te voegen. Ook in pluimvee zitten soms ook resten dierenvlees…

  • In zijn schokkende best-seller, “Fast Food Nation”, laat Eric Schlosser zien hoe moeilijk het is om zeker te weten dat vlees – dat bestemd is voor fast food (of het nu voor privégebruik of voor restaurants is) – niet vervuild is in het abattoir. De vacht van de dieren wordt machinaal losgetrokken en als die machine niet goed gereinigd is, kan viezigheid en mest op het vlees vallen en zo in uw lunch belanden.

  • Schlosser legt ook uit hoe magen en ingewanden met de hand verwijderd worden. Als dat niet heel nauwkeurig gebeurt, vliegen de stukjes ingewanden in het rond. Bij sommige abattoirs wordt gemorst met de inhoud van ingewanden van een op de vijf karkassen op de productielijn. Productiebedrijven kunnen 400.000 kilo hamburgervlees per dag produceren. Er hoeft maar een van de betrokken dieren besmet te zijn met E.coli 0157:H7 (een belangrijke veroorzaker van voedselvergiftiging) om 16.000 kilo
    gemalen rundvlees te besmetten.

Massaproductie en gebruik van afvalstoffen uit de voedselindustrie, zoals maïszetmeel, suikerbietvezel en melkweipoeder mogen dan wel de kosten van de verwerkingsbedrijven laag houden, maar de kosten stijgen enorm door verpakking, transport en presentatie. Dalepak lams-grillvlees van Northern Foods kost bijvoorbeeld 8,45 Britse pond per kilo, bijna het dubbele van wat echte lamskotelet bij de plaatselijke slager kost [12]. Het schijnt dat klanten zich graag laten wijsmaken, dat zij het beste af zijn met het gemak van kant-en-klaarvoedsel en met winkelen in de supermarkt.

De Mythe van Goedkoop Voedsel

Goedkoop voedsel is een mythe. In werkelijkheid betaalt de consument drie keer: een keer in de winkel, een tweede keer door belastingen via de directe subsidies aan boeren en tenslotte indirect door belastingen over de kosten voor het opruimen van de rotzooi achtergelaten door de industriële landbouw en om de transportinfrastructuur te subsidiëren. Zo heeft de regering meer dan een miljard Britse pond uitgegeven voor installaties om nitraten en pesticiden uit het water te verwijderen [13].

De consument betaalt de prijs met een slechtere gezondheid en toenemende kans op ziekten. De afgelopen tien jaar was de jacht op goedkoop voedsel de oorzaak van elke grote voedselramp. Het voeren van gemalen dierenlijken (als goedkope bron van proteïne) aan vee dat eigenlijk herbivoor is, wordt in het algemeen gezien als oorspronkelijke oorzaak voor het ontstaan van BSE. E.coli is een bijproduct van de intensieve veehouderij. Salmonella is inherent aan kippen en hun eieren, omdat de manier waarop ze wordt verhit goedkopere pluimveeproducten oplevert. De besmettelijke Salmon Anaemia virus (ISA) breidt zich uit als dezelfde verhittingsmethode op vis wordt toegepast [14].

De kosten van BSE en mond- en klauwzeer kunnen oplopen tot gemiddeld 4 miljard Britse pond elk. Dan zijn er nog de kosten voor de National Health Service (NHS) door onze ongezonde eetgewoonten.

Verdergaande marktliberalisering via het Landbouwakkoord van de WTO betekent dat ons voedsel goedkoop kan blijven door ecologische en sociale vernietiging en door uitbuiting van dieren in armere landen, maar ook in GB. Het openen van markten in ontwikkelingslanden zal niet de arme arbeiders op de plantage, maar wel de multinationale bedrijven, ten goede komen. Zij bezitten de infrastructuur voor transport over de hele wereld, zoals internationale de graanhandelaren Cargill en ADM, die 80% van de wereldwijde graanhandel uitmaken.

Noten:

[1] Citaat uit “Summary Of Supermarkets: A report on the supply of groceries from multiple stores in the United Kingdom,” door de Competition Commission (DTI).
[2] Anonieme bron tijdens de Farmers World Network bijeenkomst van 24 november 2001.
[3] Gegevens van 28 februari 2001. Uit eigen onderzoek door auteur bij Tesco en de twee-wekelijkse boerderijprijzengids van de Small and Family Farms Alliance.
[4] “Don’t Blame the Supermarkets,” door Neil Davison in Financial Times.
[5] Policy Commission on Food and Farming industry stakeholder bijeenkomst van 23 oktober 2001.
[6] DEFRA Quick Agricultural Statistics maart 2004. [De statistieken uit 2004 zijn niet meer online beschikbaar. Recentere statistieken van het Britse DEFRA ministerie zijn hier beschikbaar].
[7] “Extent of farm crisis revealed,” door Patrick Wintour in The Guardian van 11 april 2001.
[8] “Incomes slowly recovering,” door Robert Harris in Farmers Weekly van 30 januari 2003.
[9] “Some Benefits and Drawbacks of Local Food Systems,” door Jules Pretty van 2 november 2001.
[10] “Corporate Pigs and Other Tales of Agribusiness” in Multinational Monitor van juli/augustus 2000 Vol 21. Nrs. 7&8.
[11] Waar geen referentie is gegeven, afkomstig uit: “Fast Food: Some facts and figures to make you lose your appetite,” door Clare Dwyer Hogg in The Independent (London) van 5 september 2001.
[12] “That’s the Horror of Haskins,” door George Monbiot in The Spectator van 1 september 2001.
[13] “Pesticides in Water,” Pesticide Action Network UK Briefing van 1 oktober 2000.
[14]”Paying the price for cheaper food,” door Matthew Fort in The Observer van 25 februari 2001.

Kritiek op ‘bedrijven eerst’-agenda van de EU en op bedrijvenlobby

(28 oktober 2006 – update 190312) Europese maatschappelijke organisaties bekritiseren al geruime tijd de grote invloed van de lobby van transnationale ondernemingen (ook van de grote supermarktketens) op het Europese (handels)beleid. Tevens ligt de ondernemersgerichte (handels)agenda die de Europese Commissie hanteert onder vuur. Naar verwachting zal de Europese Commissie binnenkort voorstellen doen aan de lidstaten voor een regeling ten aanzien van lobbyisten. Op 16 oktober publiceerden de EU-critici een rapport over de negatieve gevolgen van die ondernemersgerichte agenda voor ontwikkelingslanden. En op 17 oktober was er een actie om te benadrukken dat er verplichte transparantiestandaards moeten komen voor lobbyisten. Lees verder

Kleine boer de dupe van expansie supermarkten

(27 juni 2006)(update 180204) Wereldwijd wordt de handel in verse groenten en fruit meer en meer gecontroleerd door een klein aantal multinationals en supermarkten. Dat vrijhandel in landbouw en diensten een negatief effect heeft op kleine boeren en producenten in ontwikkelingslanden wordt in de WTO-onderhandelingen genegeerd. De conclusies van het vandaag uitgekomen rapport ‘Who reaps the fruit; Critical issues in the Fresh Fruit and Vegetable Chain‘ van de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) onderstrepen het belang van dit onderwerp.  Lees verder